Strijd tegen de Tijd: Hoofdstuk 1

Toen de busdeur voor zijn neus opende, voelde dat voor Ish aan als een stap naar de toekomst. Alleen had hij er geen idee van wat die zou brengen. Hij keek om, zocht Gus met zijn blik. Hij aarzelde, en dat was niet gepland. Hij was er klaar voor, hij was voorbereid, prentte hij zichzelf weer in. Maar de realiteit had hem ingehaald. Hoe klaar hij ook was, hoe goed hij zich ook had voorbereid, vanaf nu gold er nog maar één ding: hij stond er alleen voor.
Voor de poort van de boerderij stond zijn hele gezin op een rij. Zijn ouders, Gus en Ness, omringd door zijn broers en zussen. Telkens met twee jaar leeftijdsverschil, afwisselend meisjes en jongens. Zo was het voorgeschreven. Elke twee jaar vertrok de oudste op zestienjarige leeftijd naar de stad. Gus was zijn echte vader niet, en Ness niet zijn echte moeder. Het was enkel hun taak om peuters op te voeden tot volwassen, gezonde en fitte werkkrachten en ze dan terug te sturen naar waar ze vandaan kwamen.
Ish wist dat.
Alle andere jongeren op het Transfer niet.
Ness zwaaide naar hem. Zelfs na twee jaar huiverde hij nog bij het zien van haar gehavende gelaat. De wonden tekenden haar gezicht, het littekenweefsel was uitgehard. Niets deed nog denken aan een menselijke uitdrukking. Haar natuurlijke schoonheid was verdwenen. Ook Gus was veranderd. Zijn rimpels waren dieper geworden en zijn haar was grijswit. Hij staarde fronsend voor zich uit, alsof hij zich zorgen maakte.
Die zorgen had hij Ish meegegeven. Hij had gedaan wat absoluut verboden was: hij had zijn zoon kennis gegeven. Kennis over hoe hun wereld in elkaar zat, over hoe het vroeger was en hoe ze hier beland waren.
Kennis die zorgen baarde.
Ish kon zich bijna niet voorstellen dat er al twee jaar voorbij was sinds zijn zus Eve op een Transfer was gestapt. Hij herinnerde zich zijn bedruktheid en haar lichte enthousiasme, dat ze probeerde te onderdrukken. En nu gebeurde hetzelfde met hem. Gus en Ness keken neerslachtig, terwijl Ish de opwinding in zijn lichaam voelde tintelen. Maar hij was niet opgewonden om dezelfde reden als de andere vertrekkers. Voor de anderen was dit een hoogdag, de start van een nieuw leven. Voor Ish betekende het het startsein van een immens avontuur dat hem zo snel mogelijk weer terug naar zijn oude leven moest brengen. Hij wist, in tegenstelling tot zijn lotgenoten, dat het leven in de stad geen pretje was. En toch... toch was ook hij nieuwsgierig naar wat hij zou ontdekken. Hij wilde met zijn eigen ogen zien hoe de stad eruitzag, de verhalen van Gus toetsen aan zijn ervaringen.

Gus stapte op Ish af en sloeg zijn armen om hem heen. Dat deed hij zelden. Ish voelde Gus’ sterke handen tegen zijn rug drukken.
‘Zorg goed voor jezelf, jongen. Wees egoïstisch, help niemand, want niemand zal jou helpen.’
Ish knikte. Hij zou Gus trots maken, daar was hij van overtuigd. En Ness. Ish boog zich over Ness heen en drukte een zoen op haar gehavende wang.
‘Ik kom terug,’ fluisterde hij. ‘En dan maak ik je weer beter.’
Ness antwoordde niet. Ze glimlachte alleen maar, alsof ze moeite had om hem te geloven. Een traan gleed over haar wang.
Ish streelde even het hoofdje van het meisje dat net in de armen van Ness was gelegd. Zijn tweejarige vervangster... Hij nam zijn koffer en draaide zich om. 

De motoren van de tientallen bussen van het Transfer sloegen aan. De voormannen gaven een teken dat ze gingen vertrekken. Ish haastte zich naar binnen en gaf zijn checklist af.

De weigering om Ness te genezen had Gus gebroken. Hij was met haar naar de stad getrokken, maar daar hadden de dokters niet de moeite gedaan om haar te helpen.
‘Haar Shinu is te laag,’ had Gus tegen Ish gezegd.
‘Haar Shinu?’
Ze zaten aan de tafel in de woonkamer, de dag waarop Eve vertrokken was naar de stad. De dag waarop Gus en Ness na een halfjaar teruggekeerd waren uit de stad. Ish had zijn vader altijd bewonderd om zijn uitgebreide kennis. Gus had alle oplossingen in pacht, en dat maakte Ish’ leven gemakkelijk en helder. Maar deze keer begreep Ish hem niet. ‘Wat bedoel je?’
‘Kom mee.’
Gus stapte naar buiten, tot aan de verste hoek van de farm. Hier was niets. Niets dan rommel die al jaren aan het verroesten was. Maar Gus kende zijn weg. Aan de achterkant van de schuur keek hij schichtig om zich heen, alsof hij in het oog gehouden werd. Hij schoof wat verroest ijzer opzij en rukte aan de takken van een beuk.
Een kleine deur werd zichtbaar. Gus wenkte Ish en leidde hem naar een verborgen achterkamer.
Met een klik van de schakelaar flikkerden enkele zwakke lampen aan. Een smalle, langgerekte ruimte strekte zich uit over de volledige breedte van de schuur. De muur tegenover hen hing vol met artikelen, foto’s en tekeningen.
‘Kijk, jongen. Ik ga je alles vertellen. Over de stad, over het Beheer, over de wereld waarin we leven. Het grotere plaatje. Dingen die ik nooit aan mijn andere kinderen heb verteld.’
‘Waarom dan wel aan mij?’
‘Omdat ik het beu ben. Omdat ik moe ben. Omdat het verdomme klootzakken zijn.’

Ish schrok op uit zijn gedachten door het opgewonden geduw in zijn rug van de jongeren achter hem. Hij bekeek de bus wat beter. Hij had gehoopt op een staaltje van superieure technologie, maar het was niet veel meer dan een degelijke, wat afgeleefde bus. De groene plastic stoelen waren versleten, verhard door het jarenlange vervoer van jongeren naar de stad. Tientallen, zo niet honderden symbolen waren in het plastic gekrast. Bijna altijd hetzelfde symbool: de gebalde vuist met de armband. De armband die Gus ook had. Shinu.
‘Zitten!’
Een van de voormannen gebaarde naar een stoel vooraan, tussen twee jongens die bewonderend naar de voormannen staarden. De voormannen hadden een vreemd effect op de jongeren. Ze waren de gidsen naar het beloofde land. De voormannen wisten wat leven in de stad betekende, ze droegen het stof dat er rond dwarrelde met zich mee. Jongeren droomden ervan zelf voorman te worden. Ze wisten niet beter.
Ish schudde het hoofd en wilde verder lopen. Hij had geen zin om tussen twee slungels te zitten die de hele tijd zaten te fantaseren over hun luxeleven in de stad. Hij wist wél beter.
‘Zitten!’ herhaalde de voorman.
‘Is er geen andere plaats?’
Ish keek rond en zag nog tal van vrije plaatsen. Achteraan leken de jongeren rustiger.
‘Je zit hier.’
De voorman sloeg met zijn hand op de zitplaats. De twee jongens keken hem geërgerd aan, alsof ze zich al inleefden in hun rol als toekomstig voorman.
‘Ik dacht het niet,’ zei Ish.
Nog geen seconde later had de voorman hem bij zijn kraag vast. Hij werd hardhandig op de stoel geduwd, zijn ellebogen raakten zijn buurjongens en onmiddellijk voelde hij hun reactie in zijn zij. Hij keek niet opzij en beet op zijn tanden. De smalende glimlach van de voorman probeerde hij te negeren.
Het duurde nog een tijd voor de bus vertrok. De voorman die hem op de stoel had geduwd was verdwenen. Dit was zijn kans. Hij liet zich van zijn stoel glijden en sloop door het gangpad. Halfweg de bus liet hij zich vallen naast een jongen die ongeïnteresseerd naar buiten staarde. Rust, eindelijk.

De uitleg van Gus veroorzaakte een lawine in het hoofd van Ish. Alles wat Gus jaren had moeten verzwijgen, stroomde er nu uit en stapelde zich op in Ish’ hersenen. De wereld die hij kende zou nooit meer dezelfde zijn.
‘Natuurrampen, klimaatverschuivingen, industriële rampen... ze volgden elkaar steeds sneller op. Eind 2021 zat meer dan de helft van de wereld zonder eten en drinkbaar water. Ziektes, moordpartijen, burgeropstanden en een oorlog met bio- en nucleaire wapens. Er zijn zoveel mensen gestorven, er blijft nu minder dan een tiende van de totale wereldbevolking over. Al jarenlang was de levensverwachting aan het kelderen, en Shinu bracht dat aan het licht.’
Nu ging het even te snel voor Ish.
‘Wacht, wat is Shinu?’
Gus toonde zijn pols, waar een lichtgevende strook om zat. Ish had de band altijd als een symbool van volwassenheid beschouwd. De armband was hem zo vertrouwd dat hij er niets achter had gezocht.
‘Shinu is de basis van onze huidige maatschappij. Shinu is jouw sterfdatum, en die ligt vast. Shinu wordt concreet door deze armband hier. Die onthult wanneer jij zal sterven. Als je twee jaar oud bent, wordt je levensverwachting berekend, en die bepaalt hoe de rest van je leven er zal uitzien. Geen ruimte voor wensen, plannen, dromen of ambities. Dat is Shinu. Hard en gewetenloos. Stel je eens voor wat voor macht je als bevelhebber hebt wanneer je weet hoe oud je bevolking wordt. Welke mensen de moeite waard zijn om op te leiden en welke vervangbaar zijn. Jij hebt nog zo’n vijfentwintig jaar te leven, Ish, of minder, maar zeker niet veel meer, anders was je hier niet. En daarom moet jij in de stad gaan werken. Je hele leven staat in het teken van productiviteit. Intellect of creativiteit hoef je niet te ontwikkelen. Je wordt nooit zo oud als ik. Het Beheer zuigt je leeg en geeft je er niets voor terug.’ 

Gus duwde met zijn duim op het lichtgevende staafje.
‘Klote technologie. Gelukkig ken ik mijn eigen Shinu niet. Ik wil het niet weten. Ik ben blij dat ik ooit voor de farm heb gekozen. Rond elke stad zijn er duizenden farms die die stad voorzien van voedsel. In de stad zelf wordt ook geproduceerd: technologie, materieel, toestellen, medicijnen... En daar wonen ook de gegoede klassen. Mensen met een hoge Shinu.’
Ish probeerde het te vatten. Het was te veel informatie ineens. Maar wat hij wel had begrepen, was dat mensen die lang leefden alles kregen, en hij zou niet lang leven.
‘Ik heb al die jaren gezwegen. De regels gevolgd van een Beheer waar ik van walg, gewoon om
veilig te zijn. Maar jou ga ik helpen, jongen. Ik ga je opleiden, zodat je klaar bent om naar de stad te gaan. Zo kun jij toch je eigen pad bewandelen. Niet zoals al die naïeve snotapen die in hun ongeluk worden gestort.’
Ish wist niet wat hij daarvan moest denken. Hij knikte alleen maar.
‘En wanneer begint die opleiding?’
Gus glimlachte, voor de eerste keer sinds zijn terugkeer. Het was een wrange lach.
‘Ze is al begonnen.’

De bus zette zich langzaam in beweging. Ish wierp nog een laatste blik op Gus en Ness. Langzaamaan won de bus aan snelheid en het eindeloze patroon van poorten en farmmuren werkte hypnotiserend. Hij wist van Gus dat de farms met grote aantallen tegelijk waren gebouwd, maar toch overweldigde de immensiteit hem.
Een gevoel van vermoeidheid overviel hem. Ish sloot zijn ogen en liet de slaap hem overmannen. Hij wist niet hoe lang hij geslapen had toen hij een hand op zijn schouder voelde. De voorman stond naast hem.
‘Ik denk niet dat dit je stoel was.’
Ish antwoordde niet. Wat hij ook zei, het kon alleen maar fout zijn. De man rukte aan zijn arm en sleurde hem uit de stoel.
‘Ik zeg waar je zit!’
Hij voerde Ish mee naar achteren. Ondertussen hoorde Ish ook vooraan in de bus tumult. De voorman kwakte Ish neer op de achterste rij. Hij zat nog maar net op zijn stoel toen er naast hem nog iemand hardhandig werd neergezet.
‘Jij blijft hier zitten!’
De woorden waren gericht aan zijn nieuwe buurvrouw. Ze knikte met een boze blik naar de voorman. Ish keek haar stiekem aan. Ze had lange bruine haren en een spits gezicht. En ze leek niet blij met hoe ze behandeld werd.
‘Het is hier beter dan vooraan,’ mompelde hij.
‘Ik zat anders goed vooraan,’ antwoordde het meisje bars. ‘Ik had er twee stoelen voor mij alleen.’
‘Het zit er vol carrièrejongens.’
‘Carrièrejongens?’
‘Diegene die als vliegen rond een voorman hangen, in de hoop er ooit zelf eentje te worden. Carrière.’
Het meisje glimlachte.
‘Toch iemand op deze bus die iets zinnigs zegt. Ik ben Jo.’
‘Ish.’
De voorman stormde weer op hen af.
‘Jullie twee. Zwijgen!’
Ish wilde reageren. Rondom hen was iedereen aan het praten. Niemand had gezegd dat het verboden was. Maar Jo legde haar hand op zijn arm.
‘Het heeft geen zin,’ fluisterde ze.
Ish dacht aan Gus. Niet opvallen, had die keer op keer gezegd. Jo had gelijk, het had geen zin om in opstand te komen.
Nog niet.

Ish keek hoe de graanschuur er ondersteboven uitzag. De grond onder zijn hoofd binnen handbereik en het metalen dak als diepe afgrond. Wat zou hij de wereld graag op zijn kop zetten. Dan zouden mensen met een lage Shinu wel geholpen worden. Dan zou Ness genezen.
Hij spande zijn buikspieren voor de zoveelste keer die avond en trok zich op, zijn handen achter zijn hoofd. Ish hing met zijn benen aan een houten balk, waar hij zijn dagelijkse spieroefeningen afwerkte. Gus zat iets verderop een boek te lezen.
‘Nog tien, Ish.’
Ish zuchtte, iets te luid. De opleiding was niet helemaal wat hij had verwacht. ‘Finesse’ had Gus het gedoopt, alles draaide om lenigheid en uithoudingsvermogen.
‘Kracht stelt niets voor in je strijd in de stad. Ze zijn met meer, ze zijn sterker en ze hebben de middelen. Jij moet het hebben van je inventiviteit, van je uithoudingsvermogen om te doen wat ze je vragen en van je geduld om pas na maanden uit de pas te lopen.’
Ish werd ook niet vrijgesteld van zijn andere taken. Integendeel, zijn werk ging gewoon verder en Gus hield nauwlettend in de gaten of zijn werk niet leed onder zijn opleiding. The worst of both worlds.
Ish dacht aan zijn doel: zijn familie uit de greep van het Beheer te houden. Op de stad was hij wel voorbereid, dacht hij. Zo extreem kon het daar toch niet zijn? Zoveel jongeren waren hem al voorgegaan, hij kon zich niet voorstellen dat hij zich er niet zou kunnen handhaven. En dus wou hij snel op zoek naar een manier om Yenn, zijn zusje dat binnen twee jaar naar de stad zou vertrekken, en alle andere kinderen toch een toekomst te geven.
Een sluimerende gedachte dook weer op. Wanneer zou hij zelf sterven? Wat was zijn eigen Shinu?
Nog twee keer op en neer. Ish deed een ultieme krachtinspanning en liet zich van de balk glijden. Gus keek op.
‘Goed gewerkt, jongen, maar we zijn nog niet klaar.’
Ish beet op zijn tanden.
‘Ik kan niet meer. Ik moet slapen.’
Gus zocht in de hoek van de schuur naar een ton gevuld met ballen.
‘Klim maar naar de hooizolder.’
Ish schudde het hoofd.
‘Ik wil niet meer, ik ben doodop,’ herhaalde hij.
Gus nam een van de zware ballen en mikte die in een boog naar het hoofd van Ish. Niet hard, maar recht op zijn oog.
‘Verdomme! Is dat nu nodig?’
‘Ga je dat ook zeggen als je in de stad bent? Dat je moe bent? Dat je wilt gaan slapen?’
‘Dat mag toch? Of slapen ze soms nooit in de stad?’
Gus lachte, grijnsde meer. Minachting droop van zijn gezicht.
‘Natuurlijk slapen ze daar. Op bevel. Op momenten dat het Beheer het toestaat. Ze laten je slapen zodat je suf wordt, zodat je geen fut meer hebt om tegen hen in te gaan. Dat betekent dat je beste moment om aan hun aandacht te ontsnappen het moment is dat ze het niet verwachten. Als je helemaal kapot bent.’
Hij smeet opnieuw een bal in het gezicht van Ish. Ish werd razend. Gus klom de hooizolder op en vatte post boven Ish. De volgende bal ging recht naar de borstkast van Ish.
‘Vooruit!’ riep Gus. ‘Via de hooizolder, op het gebinte en op het dak.’
Ish sprong op een van de watertonnen en trok zich op naar de opening in de hooi-
zolder terwijl Gus de ene bal na de andere lanceerde.
‘Sneller! Kijk rond, zoek houvast en zet alles op alles.’
Ish belandde met een hazensprong bij het enige dakvenster dat niet was dichtge-
maakt. Het uitzicht over de farms deed hem naar adem happen. Tientallen, honder-
den farms, zover hij kon kijken. Allemaal identiek, soms met verschillende gewassen, maar steeds dezelfde opstelling. En tussen twee farms de grote laan met alle ijzeren poorten. Zijn ogen zochten het einde, maar vonden het niet.
‘Waar?’
Gus greep hem vast en draaide hem in de juiste richting.
‘Daar, die weerspiegeling is de koepel van de stad.’
Ish keek naar het schijnsel in de verte. De stad zag er wonderlijk uit vanaf hier. Niet het verdorven oord dat Gus had beschreven. Kon zo’n mooi verschijnsel zoveel gruwel bevatten?
Eve was nu een halfjaar in de stad. Ish voelde zich soms schuldig omdat hij te weinig aan haar dacht. Maar Eve was slim, het Beheer zou haar goed kunnen gebruiken. Over anderhalf jaar zou hij haar terugzien, daar was hij van overtuigd.
Gus klom weer naar beneden en keek zijn zoon aan. Hij zei niets, knikte alleen maar. In zijn ogen zag Ish een mengeling van opluchting en trots. Een vastberadenheid die hij lang niet meer had gezien.
‘Ga maar slapen, jongen. Je zult morgen je concentratie nodig hebben.’

Ish begreep pas echt wat hij bedoelde toen Gus de volgende avond een boek voor zijn neus legde.
‘Lezen,’ mompelde Ish.
‘Waarom niet?’
‘Wie zegt dat ik dat zal kunnen?’
‘Ik.’
Ish kende wel een paar woorden om de verschillende machines te bedienen, maar zijn kennis was heel beperkt.
‘Waarom moet ik het leren?’
‘Omdat ik denk dat je het nodig zult hebben, omdat ze in de stad denken dat je het niet kunt. Geloof me maar, Ish. Hier ga je meer aan hebben dan aan welke spieroefening of concentratieopdracht ook. De achilleshiel van het Beheer is dat zij ervan uitgaan dat jij enkel weet wat zij jou leren.’
Langzaam maar zeker leerde Ish de letters en de woorden te begrijpen. Hij besefte steeds vaker dat het hem zou helpen in zijn strijd tegen het Beheer.
Hoewel Gus vaak tegen het Beheer fulmineerde, had hij toch nog steeds bewondering voor de manier waarop het functioneerde.
‘Het is ongelofelijk ingenieus wat ze met de stad gedaan hebben. Alle bestaande gebouwen van jaren terug staan er nog steeds. Maar ze hebben ze verstevigd, zodat ze de grote glazen koepel mee ondersteunen. Tijdens die werkzaamheden hebben ze de wolkenkrabbers gebruikt om de stad op te delen in verschillende levels. De verschillende lagen zijn verbonden door de bestaande liftschachten. Je kunt alleen van de ene naar de andere laag als je daar toestemming voor hebt. Anders beweegt de lift geen millimeter.’
‘En wie bepaalt of je naar een andere laag mag?’
‘Shinu.’
Altijd weer Shinu. Het was de basis voor het Beheer.
Na een halfjaar had Ish het lezen helemaal onder de knie. Hij onderhield zijn pas verworven kennis door veel boeken te lezen. Ze beschreven vaak een wereld die Ish nooit had gekend. Een wereld zonder Beheer, zonder voormannen, zonder Transfer. Misschien kon hij ervoor zorgen dat die wereld terugkwam.

Naast lezen onderrichtte Gus hem ook in allerhande technologieën. Hij haalde de motoren van de maaidorsers en de tractors uit elkaar en viste het moederbord eruit. Gus leerde Ish verschillende circuits te maken, de gevolgen van contact tussen bepaalde draden en stoffen. Hij leerde een moederbord te gebruiken om andere dingen, zoals een lamp of een boormachine, aan te drijven. Met de monitor van de verschillende silo’s oefenden ze op verschillende manieren van automatisering. Gus drukte Ish op het hart dat hij niets vanzelfsprekend mocht vinden. Elke vorm van technologie was door een mens bedacht. En dus ook door een mens te ontmantelen.
Ish had nog nooit over die dingen nagedacht, maar nu leerde hij de kracht van technologie kennen, de vernuftigheid waarmee iets in elkaar zit en hoe het kleinste draadje of radertje de hele werking van een apparaat kan verstoren. Het gaf hem zelfvertrouwen. Hij was het radertje dat zou tegenwerken in de machine van de stad.
Maar Gus trainde hem ook op andere gebieden. Hij leerde hem kleine trucjes, zo-
als voorwerpen in je kleren naaien, maar ook manieren om zich te verdedigen, zoals gevechtstechnieken.
‘Daar staat een bewaker,’ wees Gus. Hij had met resthout een man in elkaar geknutseld. Met een beetje fantasie ontwaarde Ish armen, benen en een hoofd.
‘Er zijn maar twee manieren om ongemerkt voorbij een bewaker te komen. Je kunt ervoor zorgen dat hij je niet ziet of je kunt hem uitschakelen. En reken er maar niet op dat hij je niet ziet.’
Hij draaide de bewaker naar zich toe en wenkte Ish.
‘Dus je moet hem frontaal benaderen. Als hij je kan zien, gaat hij ervan uit dat hij controle over je heeft. Daar is het Beheer op gebaseerd: een onuitputtelijk vertrouwen in zichzelf. Dat zorgt ervoor dat zij afstand nodig hebben om aan te vallen.’
‘Hebben de bewakers wapens?’
‘Soms.’
Echt geruststellend was het antwoord niet.
‘Dus je zult zo dichtbij moeten komen als je kunt,’ ging Gus verder. ‘Zo ontneem je hem zijn voordeel. Afhankelijk van welk wapen hij heeft natuurlijk.’
‘Hoe bedoel je?’
Gus zag de ongerustheid in de ogen van Ish en besloot die niet nog meer te voeden.
‘Maakt niet uit. Het belangrijkste is dat je vlak voor hem staat, anders maak je geen kans.’
Ish’ wantrouwen werd alleen maar groter. Wat probeerde Gus voor hem te verbergen?
‘Maak een praatje met hem. En wanneer je vlak voor hem staat, dan sla je toe!’
‘Hoe? Moet ik hem gewoon op zijn hoofd slaan?’
Gus schudde het hoofd.
‘Dat haalt niets uit. Hun pak lijkt zacht, maar is steenhard. Gemaakt om schokken op te vangen.’
Gus legde zijn hand op het deel van het hout dat de zijkant van het lichaam moest voorstellen. ‘Hier. Hier zit hun zwakke plek,’ glunderde Gus. ‘Onder hun oksels, boven hun heup.’
Ish lachte. ‘Moet ik hen kietelen tot ze het opgeven?’
Gus bleef ernstig.
‘Niet hun hele lichaam is beschermd. Dan zouden ze niet meer kunnen lopen. Als je hen in hun zij raakt, met je slag een beetje naar voren gericht, kun je hun organen raken. Die wil je hebben. De stekende pijn zal hen ineen doen krimpen. En dan grijp je hen hier.’
Gus wees naar de nek van de pop.
‘Onder hun helm zijn ze niet volledig afgedekt. Als je een bewaker daar met je vlakke hand kunt raken, schakel je hem zo uit.’
Daarna wees Gus nog andere lichaamsdelen aan waar Ish op moest mikken: de knieholten, de ellebogen en de polsen. Daar waar de gewrichten ruimte nodig hadden om te bewegen, zaten ook de zwakke plekken.
‘En wanneer zal ik dit allemaal nodig hebben?’
Gus duwde de houten constructie om.
‘Sneller dan je denkt.’

Eén goede raad bleef Gus eindeloos herhalen: ‘Wees altijd op je hoede, jongen. Het Beheer ontgaat niets. Niets gebeurt zomaar. Houd dat altijd in je achterhoofd.’
Ish prentte zich de woorden in, prevelde ze ’s nachts, wanneer hij uitgeput in zijn bed lag. Tegelijk wist hij: het Beheer was er ook niet op voorbereid dat hij opgeleid was. En daar zou hij zijn voordeel mee doen.

Op die momenten in bed, als de fysieke inspanning nog gloeide in zijn lijf en hij de slaap niet kon vatten, besefte hij dat hij een hoofdstuk aan het afsluiten was. Dat hij twee jaar van zijn jeugd kwijt was, en dat hij die nooit meer zou terugkrijgen. Andere jongeren konden onbezorgd naar het Transfer toeleven, met de hoop op een beter leven in de stad. Maar Ish niet. De toekomst zou uitwijzen of het allemaal de moeite waard was geweest.

lees hier het vervolg, in hoofdstuk 2

+1
0
-1