Strijd tegen de Tijd: Hoofdstuk 2

Soms komen dromen uit.

De stad die in de verte opdoemde was precies zoals Ish had verwacht. Niet zozeer de grillige vorm van de koepel, of het zonlicht dat weerspiegeld werd door de grote glaspartijen, maar eerder de pure macht die het gigantische complex uitstraalde. Dit was van een totaal andere orde dan wat hij ooit had gezien. Hij drukte zijn neus tegen het raam en bestudeerde net als zijn lotgenoten in de bus elk detail. De farm leek ineens zo futiel. Dit gebouw had de hele regio in zijn macht. Een grote koepel, een constructie van glas en metaal die torenhoog over het landschap heerste, overspande de stad. Het was het mooiste wat hij ooit gezien had: gracieus en organisch, maar toch kordaat en dominant.

Ish keek om zich heen. Ook de anderen vergaapten zich aan het spektakel. Na alle opschepperij tijdens de driedaagse busrit waren de stoere jongens eindelijk stil. De aanblik van de stad had hen onverhoeds overvallen. Dit was waarom ze op de bus waren gestapt. Dit was waar elke zestienjarige naar uitkeek. En de verwachtingen werden meer dan ingevuld.

Bij Jo zag Ish gemengde gevoelens. Ze vocht tegen haar ontzag. Ze voelde bewondering, maar wilde niet dat iemand haar erop kon betrappen. Elke avond hadden ze elkaar opgezocht na de busrit en bijgepraat. Ze vergeleken het leven op hun respectievelijke farms, en het klikte allemaal mooi in elkaar. Haar aanwezigheid stelde hem gerust. Ze hadden zoveel gemeen, en haast dezelfde kijk op de stad. Tegen de goede raad van Ish in had Jo haar mening over de stad geventileerd. Hoewel het Ish alle moeite van de wereld had gekost om niet hetzelfde te doen, was de les van Gus blijven hangen en had hij zich beperkt tot haar uit te horen. Over haar zusjes die ze miste, en hoe ze bij elk vertrek aan een voorman had gevraagd of ze hun een brief mocht schrijven. Jo wilde niet naar de stad, ze wilde op de farm blijven. Ish was vertederd door haar naïviteit en haar opstandige houding, die meer een pose was. Ze deed hem denken aan Eve.

Gus had hem gewaarschuwd voor de stad. Hij had hem gewezen op alle gevaren, maar hij had nooit gesproken over de overweldigende kracht die ze kon uitstralen. Een dwingende kracht die je deed verlangen er deel van uit te maken. Misschien had Gus overdreven?

Een hand op zijn schouder deed hem opkijken. Een van de jongens voor hem leunde over zijn stoel naar achter.
‘Dat is heel wat anders dan die kleine, versleten farm, hè. Blinkend staal, helder glas. En hoog, hoog. Zoveel zonlicht heb je na twaalf uur op de akker nog niet opgedaan.’
De jongen kon zijn lach niet langer inhouden. Hij had zijn stoere houding en grote mond teruggevonden.
‘Ik denk dat ik een van die appartementen bovenaan neem, wat denk je?’
Naast hem schudde Tor, een tengere jongen, het hoofd.
‘Zoveel trappen wil ik niet lopen. Geef mij maar een plek onderaan.’
‘Onderaan? Maar dan zit je in midden in het afval... of zelfs erger!’
‘Hmmm. Daar zullen ze wel iets op gevonden hebben, zeker?’
Ish moest lachen. De stoere jongen zou nooit boven komen, Ish evenmin. Allemaal waren ze vanaf hun geboorte voorbestemd om in het donker te leven, want ze zouden op het onderste level terechtkomen. Zijn lach bevroor, de stad had haar aantrekkingskracht nu al verloren.

‘Ish?’
Jo had haar hand op zijn arm gelegd. Ze keek hem recht aan met haar grote blauwe ogen.
‘Beloof me dat je me niet alleen laat.’
Hij knikte, verrast door haar vraag. Ze was bang. Alsof ze vermoedde dat er achter de schitterende glazen koepel geen gouden poorten en grote feestmalen op hen wachtten.

Een luide sirene schalde door de bus en Jo trok haar hand terug. Een voorman stond in het gangpad en brulde luid.
‘Iedereen blijft zitten tot we in de stad zijn.’
De bus minderde vaart en voegde zich in een rij andere bussen. Ish zag honderden bussen om hen heen. De stad verwachtte niet alleen hen. De spanning in de bus was te snijden. Er klopte iets niet, Ish voelde hoe de angst voor het onbekende ook hem langzaam bekroop. Na uren aanschuiven naderden ze de koepel.
Net voor de metershoge muur die de stad volledig omringde, reden ze een tunnel in. De bus had geen verlichting, waardoor na de stilte nu ook het duister de bus in zijn macht kreeg. Enkel de koplampen van de bussen wierpen schimmen op de tunnelwanden. De stank van uitlaatgassen sijpelde de bus in en iedereen begon te hoesten. Ish hield zijn hand voor zijn mond. Weg was de grandioze aanblik van de stad.

De weg begon weer te stijgen en in de verte scheen er licht. Ze verlieten de tunnel en kwamen terecht in een enorme terminal. Hoge, betonnen muren omzoomden de binnenplaats, tientallen meters hoog, en voor die muren stond een haag van voormannen. Gigantische spots verlichtten de ruimte, met aan het plafond een netwerk van volgspots, camera’s en luidsprekers. Maar de actie speelde zich af op de grond. Vakkundig manoeuvreerde elke chauffeur zijn bus naar de hem toegewezen stopplaats. Hun bus had nummer 122. De bus stopte exact op de aangeduide plaats en wachtte tot alle bussen geparkeerd waren.
Een luide zoemer klonk en de deur ging open, net naast een gang van hekwerk en draad.

‘Uitstappen!’
De voorman gaf geen verdere uitleg.
De jongeren kwamen zuchtend overeind, rekten zich uit en reikten naar hun spullen in de rekken boven hun hoofd.
‘Alles laten liggen!’ brulde de voorman. ‘Tassen worden achteraf geleverd.’
Hij wrong zich door het gangpad en duwde iedereen die in de weg stond opzij.
‘Vooruit. Voortmaken! We hebben geen tijd te verliezen!’
Naast Ish reikte Tor stuntelig naar de tas boven hem in het rek. Meteen stond de voorman naast hem.
‘Laten liggen, zei ik.’
‘Mijn bril,’ mompelde Tor, die zijn tas niet losliet. ‘Ik heb mijn bril nodig.’

De klap kwam razendsnel. Ish had de rubberen stok niet gezien, maar plots was hij er. Hij kwam uit de mouw van de voorman, klapte uit en raakte Tor in de onderrug. Hij liet zijn tas vallen en zakte door zijn knieën.
‘Alles wordt geleverd. Pas maar op, of je ziet binnenkort helemaal niets meer.’
Ish voelde zijn hart bonzen. Hij drukte zijn nagels in zijn handpalmen. De woorden van Gus galmden in zijn hoofd. Hij moest geduld hebben, hij mocht niet opvallen.
Tor hoestte bloed op en probeerde overeind te komen. De voorman had zich omgedraaid en duwde andere jongeren uit de bus. Ish nam snel een beslissing. Hij boog voorover en ondersteunde Tor. Met zijn linkerhand deed hij of hij steun zocht op de grond, maar stiekem stak hij zijn hand in de tas. Hij voelde snel tussen de spullen en vond een brillendoos. Hij kwam samen met Tor overeind en gluurde naar de voorman. Die had zich weer naar hen gedraaid en kreeg het zichtbaar op zijn heupen van hun getalm.

‘Zijn jullie nog niet klaar?’
De stok schoot weer uit zijn mouw, deze keer als waarschuwing.
‘We komen,’ mompelde Ish onderdanig.
Hij duwde Tor vooruit en volgde hem op de voet. Ish stak zijn hand naar achteren en greep die van Jo. Hij zou haar niet loslaten.

Voor ze de bus verlieten stak hij stiekem de brillendoos in de achterzak van Tor. Die voelde kort aan het voorwerp en keek Ish dankbaar aan.
‘Die ga je nog nodig hebben,’ fluisterde Ish, die net zijn eerste overwinning op het Beheer had behaald.

En toen duwde hij Tor weer verder. Ze waren al genoeg opgevallen, er was geen tijd voor sentiment. Buiten was het pure chaos, en Ish moest knokken om Jo bij zich te houden. Hij kneep in haar hand en sleurde haar achter zich aan. Samenblijven, schoot het door zijn hoofd. Ze moesten samenblijven, dan waren ze sterker. Hoe had Eve dit doorstaan? Haar teleurstelling moest groot geweest zijn.

Aan het einde van het pad stonden soldaten in formatie: ze leken op de voormannen, met een mondmasker dat zowel de mond als de nek bedekte en dezelfde bescherming op armen, benen en borstkas. Maar deze mannen waren anders. Groter, breder, gevaarlijker. Na de drie lange dagen in de bus had Ish de voormannen wel door. Dreigend en hard, maar achter hun masker schuilde er nog wat menselijkheid. Deze beesten waren van een heel andere categorie. Zij controleerden wie er de gang uit mocht en moesten de stroom aan nieuwe stedelingen in goede banen leiden. Elke jongere moest zich om de beurt aanbieden bij de commandors die in duo’s aan de poorten van de terminal stonden. Ish wist niet wie hij het meest moest vrezen: de stevige soldaten of de schichtige commandors. Geen maskers, geen wapens, voor zover hij kon zien zelfs geen bescherming. Maar wel een heel strak uniform met een groot embleem en een gezicht zonder kleur, ogen zonder emoties en een mond die een zieke lach niet kon verbergen. Ish keek naar de zwarte ketel die naast hen stond. Stomend heet, met tientallen ijzeren staven erin, elk met een letter aan het uiteinde.

De eerste jongen van bus 122 had het einde van de met dranghekken afgezette gang bereikt en verscheen voor de soldaten. Een van de soldaten greep hem ruw bij de arm en sleepte hem vooruit. Voor de commandors stopte de soldaat. Hij stroopte de mouw van de jongen op en hield de trillende arm voor een scanner. Met een snelle slingerbeweging schoot de scanner een band rond de pols. De Shinu-band. Gus had hem verteld dat iedereen die nieuw in de stad kwam er een kreeg. Een identiteitskaart die je tegen wil en dank altijd bij je had.

De band werd geactiveerd: het slot vergrendelde, de lichtjes brandden en uit de band schoten kleine weerhaken die zich in de pols vastzetten. De jongen verbeet de pijn. Meteen verscheen er op het scherm van de terminal een checklist en een code: G3473. De commandor knikte en haalde het deksel van de ketel.

Stoom ontsnapte uit de ketel. De soldaat hield de jongen vast terwijl de commandor een van de ijzeren staven greep en met een snelle beweging een vuurrode ‘G’ in de hals van de jongen brandde. Die schreeuwde het uit. De geur van verbrand vlees verspreidde zich in de hal. Dat was voor de andere commandors het signaal om ook te beginnen. Iedereen die op een van de honderden bussen zat, zou langs die controle moeten. Geschreeuw vulde de hal. Soms werden dromen nachtmerries.

Ish voelde Jo in zijn hand knijpen. Wat gebeurde hier? Daar had Gus niets over gezegd. De jongens en meisjes deinsden achteruit, maar geraakten niet weg uit de tunnel.
‘In de rij!’ schreeuwde de voorman van hun bus.

Hij haalde zijn knuppel tevoorschijn en sloeg wild in het rond. De jongeren schoven gedwee weer in formatie, onzeker over wat erger was, de knuppel of de ijzeren staaf. Zij die het brandmerk in hun hals hadden gekregen werden naar een van de deuren geleid, die automatisch opengingen zodra hun chip gescand was.

Toen Ish aan de beurt was beet hij op zijn tanden. Niet opvallen, niet opvallen, niet opvallen, dramde het als een mantra in zijn hoofd. Hij toonde zijn pols aan de soldaat. Op dat moment klonk er tumult bij de bus naast hen. Een meisje was met wat hulp over een dranghek geklommen en liep gillend weg. Twee voormannen verlieten hun positie en spurtten erachteraan. In een mum van tijd had-

den ze haar ingehaald en tegen de grond gesleurd. Ze haalden hun stokken tevoorschijn en begonnen te slaan. Het meisje spartelde tegen, maar verloor al snel het bewustzijn, terwijl het bloed uit haar gezicht begon te sijpelen. De voormannen kwamen weer overeind en lieten haar liggen. Ze veegden hun stokken af aan haar kleren en gingen bij hun rij staan, een zelfgenoegzame grijns om de lippen.

‘Hoofd naar hier,’ beval de soldaat.

Ish draaide zijn hoofd weer naar voren en voor hij het besefte drukte de ijzeren staaf in zijn hals. Een stekende pijn vlamde door zijn hele lichaam. Hij huiverde, weigerde te schreeuwen. Hij moest weer focussen. Een snelle blik op het scherm leerde hem dat hij code P8265K97.1 had. Hij prentte het nummer in zijn geheugen terwijl de tranen over zijn gezicht rolden.
‘Ga naar de deur.’
Ish bleef staan en keek om naar Jo. Hij had beloofd haar niet achter te laten. Konden ze niet samen gaan? De soldaat rukte aan zijn arm en duwde hem vooruit.
‘Naar de deur!’

Ish knikte en deed een stap naar voren, naar de linkse deur die voor hem was opengegaan. Hij liep traag, hij wilde wachten op Jo. Haar pols werd gescand, en ook zij kreeg een code. F573. De commandors keken elkaar aan. De ene knikte naar de riem van de soldaat, waar handboeien hingen. Met snelle bewegingen haalde hij ze van zijn riem en sloeg ze om Jo’s polsen.
‘Hé, wat doen jullie?’
De soldaat gaf een teken naar een soldaat bij de muur. Die rende naar hen toe en greep Jo vast. Zonder mededogen sleurde hij haar mee.

‘Ish!’
Haar stem galmde tussen de hoge muren, vrat zich een weg naar zijn hart. Maar hij bewoog niet. Hij mocht niet opvallen. Ish klemde zijn tanden op elkaar. Hier had Gus helemaal niets over gezegd. Wat kon hij dan nog geloven van zijn verhalen?
Jo werd steeds verder weggesleurd. Ze riep zijn naam. Ish keek naar de andere jongens, die even hulpeloos stonden toe te kijken. Tor was als volgende aan de beurt, hij kreeg een duw van een soldaat richting de scanner.
‘Door de deur!’
Een andere soldaat kwam op Ish afgelopen en trok hem naar de deur die voor hem geopend was.
‘Je houdt alles op.’

Terwijl Ish zich haastte om de soldaat te gehoorzamen, zag hij hoe in de verte Jo uit zijn leven werd gerukt. Ze waren de stad nog niet in en hij had al gefaald.

voor meer SHINU, lees het vervolg in het boek Strijd tegen de Tijd

+1
0
-1